Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
venir
[past form: vine][present form: vengo]
01
komen
moverse desde otro lugar hacia el lugar donde está el hablante
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
sterk
1e persoon enkelvoud
vengo
3e persoon enkelvoud
viene
onvoltooid deelwoord
viniendo
onvoltooid verleden tijd
vine
voltooid deelwoord
venido
Voorbeelden
Siempre viene a ayudarme.
Hij komt altijd om me te helpen.
02
komen
tener origen o provenir de un lugar determinado
Voorbeelden
Él viene de una ciudad pequeña.
Hij komt uit een kleine stad.
03
komen
llegar o aparecer en un momento o lugar
Voorbeelden
La calma vino tras la tormenta.
De kalmte kwam na de storm.
04
inbegrepen zijn, beschikbaar zijn met
encontrarse incluido o disponible con algo
Voorbeelden
El producto viene en diferentes tamaños.
Het product is verkrijgbaar in verschillende maten.



























