Zoeken
beber
[past form: bebí][present form: bebo]
01
drinken
tomar un líquido por la boca
Voorbeelden
Después de correr, necesito beber algo frío.
Na het rennen moet ik iets kouds drinken.
1.1
drinken
tomar líquido en general
Intransitive
Voorbeelden
Cuando estás enfermo, es importante beber.
Als je ziek bent, is het belangrijk om te drinken.
02
drinken (alcohol)
consumir bebidas alcohólicas
Voorbeelden
En la boda, bebimos vino blanco chileno.
Op de bruiloft dronken we Chileense witte wijn.
2.1
drinken (alcohol)
tomar bebidas alcohólicas
Intransitive
Voorbeelden
Si bebes demasiado, no podrás conducir.
Als je te veel drinkt, kun je niet rijden.
03
in één teug drinken
tomar una bebida completamente o con énfasis
Voorbeelden
¡ Bébete la medicina de una vez!
Drink je medicijn in één keer op !



























