Zoeken
gastar
[past form: gasté][present form: gasto]
01
verbruiken, opgebruiken
usar o consumir algo hasta agotarlo, no necesariamente dinero
Voorbeelden
Gastamos mucha gasolina en el viaje.
We verbruikten veel benzine tijdens de reis.
02
uitgeven, verbruiken
usar dinero o recursos para comprar o pagar algo
Voorbeelden
Gastamos demasiado en vacaciones.
We geven te veel uit op vakantie.



























