Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
casar
[past form: me casé][present form: me caso]
01
trouwen, in het huwelijk treden
unir formalmente en matrimonio a dos personas
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
caso
3e persoon enkelvoud
casa
onvoltooid deelwoord
casando
onvoltooid verleden tijd
me casé
voltooid deelwoord
casado
Voorbeelden
Mis padres se casaron hace 30 años.
Mijn ouders zijn 30 jaar geleden getrouwd.
02
passen, harmoniëren
combinar o concordar bien con otra cosa
Voorbeelden
Los tonos de las cortinas casan con el sofá.
De kleuren van de gordijnen passen bij de bank.



























