Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
tomar
01
nemen, drinken
beber o comer algo
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
tomo
3e persoon enkelvoud
toma
onvoltooid deelwoord
tomando
onvoltooid verleden tijd
tomé
voltooid deelwoord
tomado
Voorbeelden
Él tomó una copa de vino en la cena.
Hij dronk een glas wijn tijdens het diner.
02
nemen, gebruiken
subir o usar un medio de transporte
Voorbeelden
¿ Quieres tomar el tren o el metro?
Wil je de trein of de metro nemen ?
03
grijpen, pakken
agarrar o sujetar algo con la mano
Voorbeelden
Tomó el teléfono rápidamente.
Hij pakte de telefoon snel.
04
innemen, nemen
ingerir una medicina o sustancia con un fin curativo o preventivo
Voorbeelden
Ella toma vitaminas todos los días.
Ze neemt elke dag vitamines.
05
inschrijven voor, volgen
inscribirse en una clase o asistir a ella como estudiante
Voorbeelden
Recomiendo tomar esa clase, el profesor es excelente.
Ik raad aan om die les te volgen, de professor is uitstekend.



























