Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
correr
01
rennen
moverse rápidamente usando las piernas, más rápido que caminar
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
regelmatig
1e persoon enkelvoud
corro
3e persoon enkelvoud
corre
onvoltooid deelwoord
corriendo
onvoltooid verleden tijd
corrí
voltooid deelwoord
corrido
Voorbeelden
Los niños corren en el parque después de la escuela.
De kinderen rennen in het park na school.
02
haasten, zich spoeden
moverse rápido para llegar a un lugar o hacer algo pronto
Voorbeelden
Él corre cuando escucha la alarma.
Rent wanneer hij het alarm hoort.
03
trekken, openen
mover una cosa, como una cortina o una puerta, para abrirla o cerrarla
Voorbeelden
Corría la cortina lentamente para no hacer ruido.
Trok het gordijn langzaam om geen lawaai te maken.
04
zich verspreiden, rennen
hacerse público o difundirse entre muchas personas
Voorbeelden
Corrió el chisme en la oficina.
Het gerucht verspreidde zich op kantoor.



























