hazel
ha
ˈheɪ
hei
zel
zəl
zēl
/ˈheɪzəl/

Definitie en betekenis van "hazel"in het Engels

01

hazelnootkleurig, groenachtig bruin

having a greenish-brown color
hazel definition and meaning
Voorbeelden
Her eyes were a striking hazel color, with flecks of green and gold.
Haar ogen waren een opvallende hazelnoot kleur, met vlekjes groen en goud.
02

van hazelaar, gerelateerd aan de hazelaar

made from or relating to the hazel tree or its products
Voorbeelden
The artist used hazel wood for the sculpture ’s delicate details.
De kunstenaar gebruikte hazelaarhout voor de delicate details van het beeldhouwwerk.
01

hazelnootbruin, groenachtig bruin

a brownish-green color resembling the hue of hazelnuts or the eyes of some individuals
Voorbeelden
The hazel of the autumn leaves was beautifully captured in the painting.
De hazelnootbruine kleur van de herfstbladeren werd prachtig vastgelegd in het schilderij.
02

hazelaar, hazelnootboom

a type of deciduous tree or shrub from the genus Corylus, known for its rounded leaves, catkins, and edible nuts called hazelnuts
Voorbeelden
We spotted a pair of squirrels nesting in the hazel.
We zagen een paar eekhoorns nestelen in de hazelaar.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store