to frighten
frigh
ˈfraɪ
frai
ten
tən
tēn

Definitie en betekenis van "frighten"in het Engels

to frighten
01

bang maken, schrik aanjagen

to cause a person or animal to feel scared 
Transitive: to frighten a person or animal
to frighten definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
frighten
3e persoon enkelvoud
frightens
onvoltooid deelwoord
frightening
onvoltooid verleden tijd
frightened
voltooid deelwoord
frightened
Voorbeelden
The loud bang outside the window frightened the sleeping child. 

Het harde geluid buiten het raam deed het slapende kind schrikken.

02

bang maken, beangstigen

to feel worried or scared 
Intransitive
Voorbeelden
She might frighten in the dark. 

Ze zou in het donker bang kunnen worden.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store