frighten
frighten
fraɪtn
fraitn
/ˈfraɪtn/

Definitie en betekenis van "frighten"in het Engels

to frighten
01

bang maken, schrik aanjagen

to cause a person or animal to feel scared
Transitive: to frighten a person or animal
to frighten definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
frighten
3e persoon enkelvoud
frightens
onvoltooid deelwoord
frightening
onvoltooid verleden tijd
frightened
voltooid deelwoord
frightened
Voorbeelden
The news of the approaching storm frightened the residents, who quickly prepared for evacuation.
Het nieuws van de naderende storm beangstigde de bewoners, die zich snel voorbereidden op evacuatie.
02

bang maken, beangstigen

to feel worried or scared
Intransitive
Voorbeelden
Some people frighten during horror movies.
Sommige mensen schrikken tijdens horrorfilms.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store