Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to fool around
01
rondhangen, grappen maken
to engage in playful, silly, or time-wasting activities
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
around
basiswerkwoord
fool
tegenwoordige tijd
fool around
3e persoon enkelvoud
fools around
onvoltooid deelwoord
fooling around
onvoltooid verleden tijd
fooled around
voltooid deelwoord
fooled around
Voorbeelden
We decided to fool around with a new recipe and ended up with a delicious meal.
We besloten te spelen met een nieuw recept en eindigden met een heerlijke maaltijd.
02
flirten, avonturen hebben
to engage in a casual or sexual relationship outside a committed relationship
Voorbeelden
She discovered that her partner had been fooling around with a co-worker, which led to a breakup.
Ze ontdekte dat haar partner rondspelde met een collega, wat leidde tot een breuk.



























