Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
vel, ruwe huid
the dressed skin or hide of an animal, especially a large one
Voorbeelden
The hunter sold the fell to a local tanner.
De jager verkocht de huid aan een lokale looier.
02
kap, vel
the act of cutting down or bringing down something, especially a tree
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
fells
Voorbeelden
The fell of the old oak took less than an hour.
De kap van de oude eik duurde minder dan een uur.
03
omgeslagen naad, verborgen naad
a seam made by folding and stitching edges to hide or protect raw fabric
Voorbeelden
The tailor used a fell to finish the shirt seams neatly.
De kleermaker gebruikte een omgeslagen naad om de naden van het shirt netjes af te werken.
to fell
01
vellen, omhakken
to cut down or bring down, typically referring to trees
Transitive: to fell a tree
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
fell
3e persoon enkelvoud
fells
onvoltooid deelwoord
felling
onvoltooid verleden tijd
felled
voltooid deelwoord
felled
Voorbeelden
The lumberjack used an axe to fell the towering pine.
De houthakker gebruikte een bijl om de torenhoge dennenboom om te hakken.
02
zomen, randen stikken
to sew a seam by folding and stitching the raw edges down
Transitive: to fell sth
Voorbeelden
She felled the seam for a neat finish.
Ze zoomde de naad voor een nette afwerking.
03
uitdoven, verdwijnen
to pass away or disappear rapidly
Intransitive
Voorbeelden
The light felled as the sun set.
Het licht viel toen de zon onderging.
01
dodelijk, wreed
having the ability to be deadly, cruel, or destructive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
fellest
vergrotende trap
feller
gradueerbaar
Voorbeelden
The fell beast terrorized the villagers with its fierce attacks.
Het meedogenloze beest terroriseerde de dorpsbewoners met zijn felle aanvallen.



























