Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
01
reebokje, jong hert
a young deer, typically in its first year of life
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
dier
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
fawns
Voorbeelden
The mother deer watched carefully as her fawn grazed.
De moederhert keek aandachtig toe terwijl haar kalf graasde.
02
lichtbruin, beige
a light grey-brown or tan color
Voorbeelden
The curtains were dyed a soft fawn to match the walls.
De gordijnen werden geverfd in een zachte lichtbruine kleur om bij de muren te passen.
01
lichtbruin, reebruin
displaying a light, pale brownish-tan color, often reminiscent of the coat color of young deer
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
fawnest
vergrotende trap
fawner
gradueerbaar
Voorbeelden
Her blouse had a delicate fawn hue, perfect for a spring day.
Haar blouse had een delicate lichtbruine tint, perfect voor een lentedag.
to fawn
01
vleien, slijmen
to show affection or admiration excessively, typically to gain favor or advantage
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
fawn
3e persoon enkelvoud
fawns
onvoltooid deelwoord
fawning
onvoltooid verleden tijd
fawned
voltooid deelwoord
fawned
Voorbeelden
The intern would always fawn over the CEO, laughing too loudly at his jokes.
De stagiair vleide de CEO altijd, door te hard te lachen om zijn grappen.
02
baren, een kalfje ter wereld brengen
(of a female deer) to give birth to young
Voorbeelden
The doe fawned in the quiet meadow during the spring.
Het ree kreeg jongen in de stille weide tijdens de lente.
03
vleien, overdreven genegenheid tonen
(of a dog) to show excessive affection, often by rubbing against or closely following a person
Voorbeelden
The puppy fawned on its owner, wagging its tail excitedly.
De puppy vleide zijn baasje, kwispelend met zijn staart van opwinding.



























