Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
familiar
01
vertrouwd, bekend
easily recognized due to prior contact or involvement, often evoking a sense of comfort or ease
Voorbeelden
The song had a familiar melody that brought back memories of happier times.
Het liedje had een vertrouwde melodie die herinneringen aan gelukkigere tijden terugbracht.
02
kundig, geïnformeerd
(of a person) thoroughly knowledgeable about something
Voorbeelden
After years of practice, the musician became familiar with every note of the piece.
Na jaren van oefening raakte de muzikant vertrouwd met elke noot van het stuk.
03
dichtbij, vertrouwd
(of people) intimate or comfortable with one another
Voorbeelden
Despite their professional roles, they had a familiar and easygoing rapport.
Ondanks hun professionele rollen hadden ze een vertrouwde en ontspannen verstandhouding.
Familiar
01
goede vriend, metgezel
a close friend or companion, often used in a casual or affectionate way
Voorbeelden
The old dog was her constant familiar, always by her side.
De oude hond was haar constante metgezel, altijd aan haar zijde.
02
vertrouweling, demonische geest
a demon or spirit that serves witches or magicians, providing guidance or assistance
Voorbeelden
The familiar whispered advice to the sorcerer in secret.
De vertrouweling fluisterde de tovenaar advies in het geheim toe.
03
vertrouweling, misdienaar
a person closely connected to a church, often assisting clergy with tasks and duties
Voorbeelden
She was a familiar, trusted to manage church duties.
Ze was een vertrouweling, vertrouwd met het beheren van kerkelijke taken.
Lexicale Boom
familiarly
overfamiliar
unfamiliar
familiar



























