Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
elbows
Voorbeelden
He leaned on the table with his elbow while listening to the conversation.
Hij leunde met zijn elleboog op de tafel terwijl hij naar het gesprek luisterde.
02
elleboog, scherpe bocht
a sharp bend in a road or river
03
elleboog, ellebooggewricht
the joint of a mammal or bird that corresponds to the human elbow
04
elleboog, het deel van de mouw dat de elleboog bedekt
the part of a sleeve that covers the elbow joint
05
elleboog, geboorde buis
a length of pipe with a sharp bend in it
to elbow
01
een elleboogstoot geven, met de elleboog duwen
to push someone with one's elbow
Transitive: to elbow sb
Voorbeelden
He elbowed his opponent during the game to gain control of the ball.
Hij gaf een elleboogstoot aan zijn tegenstander tijdens het spel om de bal onder controle te krijgen.
02
elbogen, zich met de ellebogen een weg banen
to use one's elbows to forcefully move through a crowd
Intransitive: to elbow to a direction
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
elbow
3e persoon enkelvoud
elbows
onvoltooid deelwoord
elbowing
onvoltooid verleden tijd
elbowed
voltooid deelwoord
elbow
Voorbeelden
Frustrated with the congestion, he started elbowing through the packed hallway to reach the exit.
Gefrustreerd door de drukte begon hij zich met zijn ellebogen een weg te banen door de volle gang naar de uitgang.



























