elbow
el
ˈɛl
el
bow
bəʊ
bew

Definitie en betekenis van "elbow"in het Engels

01

elleboog

the joint where the upper and lower parts of the arm bend 
elbow definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
elbows
Voorbeelden
He leaned on the table with his elbow while listening to the conversation. 

Hij leunde met zijn elleboog op de tafel terwijl hij naar het gesprek luisterde.

02

elleboog, scherpe bocht

a sharp bend in a road or river 
03

elleboog, ellebooggewricht

the joint of a mammal or bird that corresponds to the human elbow 
04

elleboog, het deel van de mouw dat de elleboog bedekt

the part of a sleeve that covers the elbow joint 
05

elleboog, geboorde buis

a length of pipe with a sharp bend in it 
to elbow
01

een elleboogstoot geven, met de elleboog duwen

to push someone with one's elbow 
Transitive: to elbow sb
to elbow definition and meaning
Voorbeelden
He elbowed his opponent during the game to gain control of the ball. 

Hij gaf een elleboogstoot aan zijn tegenstander tijdens het spel om de bal onder controle te krijgen.

02

elbogen, zich met de ellebogen een weg banen

to use one's elbows to forcefully move through a crowd 
Intransitive: to elbow to a direction
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
bewegingswerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
elbow
3e persoon enkelvoud
elbows
onvoltooid deelwoord
elbowing
onvoltooid verleden tijd
elbowed
voltooid deelwoord
elbow
Voorbeelden
Frustrated with the congestion, he started elbowing through the packed hallway to reach the exit. 

Gefrustreerd door de drukte begon hij zich met zijn ellebogen een weg te banen door de volle gang naar de uitgang.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store