Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Companion
01
metgezel, gezel
someone or something that regularly keeps another company, providing friendship, support, or association
Voorbeelden
He considered his mentor a trusted companion.
Hij beschouwde zijn mentor als een vertrouwde metgezel.
02
gezel, reismaat
someone who travels with another person, often for mutual support or enjoyment
Voorbeelden
The explorer 's companion carried essential supplies.
De metgezel van de ontdekkingsreiziger droeg essentiële voorraden.
03
gezel, assistent
a person employed to live with, assist, or provide social company to another
Voorbeelden
The patient required a companion to assist during recovery.
De patiënt had een begeleider nodig om te helpen tijdens het herstel.
to companion
01
begeleiden, gezelschap houden
to accompany or spend time with someone as a partner or companion
Voorbeelden
The guide companioned the tourists through the museum.
De gids begeleidde de toeristen door het museum.
Lexicale Boom
companionable
companionship
companion



























