Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to aggrandize
01
vergroten, vermeerderen
to make someone or something more powerful, important, or wealthy
Transitive: to aggrandize the influence or power of something
Formal
Voorbeelden
The ruler aggrandized himself by taking control of more territories.
De heerser vergrootte zichzelf door meer gebieden onder controle te nemen.
02
vergroten, ophemelen
to make a person or thing seem more important or impressive than they actually are
Transitive: to aggrandize a person or their achievements
Formal
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
aggrandize
3e persoon enkelvoud
aggrandizes
onvoltooid deelwoord
aggrandizing
onvoltooid verleden tijd
aggrandized
voltooid deelwoord
aggrandized
Voorbeelden
The politician 's speeches often aggrandize his past achievements.
De toespraken van de politicus vergroten vaak zijn prestaties uit het verleden.
Lexicale Boom
aggrandizement
aggrandize



























