cane
cane
keɪn
kein
/kˈe‍ɪn/

Definitie en betekenis van "cane"in het Engels

01

stok, wandelstok

a stick used to support a person while walking
cane definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
onbezield
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
canes
Voorbeelden
She tapped her cane lightly on the floor.
Ze tikte lichtjes haar stok op de vloer.
02

riet, stengel

the stiff and hollow stem of some tall plants such as sugar cane or bamboo
Voorbeelden
Artisans crafted intricate furniture using the flexible yet strong cane of rattan plants.
Ambachtslieden maakten ingewikkeld meubilair met het flexibele maar sterke riet van rotanplanten.
03

riet, steun

a long, thin, stiff stem of certain plants, such as bamboo or sugarcane, often used to support other plants or as material for objects
Voorbeelden
Bamboo canes were used to make a trellis.
Bamboestokken werden gebruikt om een latwerk te maken.
04

stok, rietje

a thin, stiff switch used historically to punish students by striking
Voorbeelden
He feared the cane more than failing the exam.
Hij vreesde de roede meer dan het zakken voor het examen.
to cane
01

slaan met een stok, straffen met een stok

to strike someone with a cane, usually as a form of punishment
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
cane
3e persoon enkelvoud
canes
onvoltooid deelwoord
caning
onvoltooid verleden tijd
caned
voltooid deelwoord
caned
Voorbeelden
He was caned lightly on the hand as a warning.
Hij werd als waarschuwing licht op de hand geslagen.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store