Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to cackle
01
kakelen, kwaadaardig lachen
to laugh loudly and harshly, often in a way that sounds unpleasant or wicked
Intransitive
Voorbeelden
The villain 's sinister plan succeeded, and he cackled triumphantly.
Het sinistere plan van de schurk slaagde, en hij lachte schaterend triomfantelijk.
02
kakelen, snateren
to make a harsh, sharp, and raucous vocalization characteristic of hens after laying an egg or when disturbed
Intransitive
Voorbeelden
The sudden noise made the birds cackle in alarm and scatter across the yard.
Het plotselinge geluid maakte dat de vogels kakelden van schrik en zich over de tuin verspreidden.
03
kakelen, giechelen
to talk in a rapid, high-pitched, and often excited or unrestrained manner
Intransitive
Voorbeelden
They sat by the fire, cackling and sharing ghost stories late into the night.
Ze zaten bij het vuur, giechelend en deelden spookverhalen tot diep in de nacht.
Cackle
01
gekakel, luide lach
a loud laugh suggestive of a hen's cackle
02
luidruchtig gepraat, gekakel
noisy talk
03
gekakel, geklok
the sound made by a hen after laying an egg



























