Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to have got on
01
dragen, aanhebben
to be wearing a particular item or style of clothing
Dialect
British
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
on
basiswerkwoord
have got
tegenwoordige tijd
have got on
3e persoon enkelvoud
has got on
onvoltooid deelwoord
having got on
onvoltooid verleden tijd
had got on
voltooid deelwoord
had got on
Voorbeelden
They ’ve got matching shirts on for the event.
Ze hebben bijpassende shirts aan voor het evenement.
02
plannen hebben, verplichtingen hebben
to have plans or commitments for a particular time or day
Dialect
British
Voorbeelden
He ’s busy this weekend; he ’s got a family event on.
Hij is dit weekend druk; hij heeft een familie-evenement staan.
03
aan hebben staan, in werking hebben
to have a machine or device turned on and working
Dialect
British
Voorbeelden
They have got the radio on all day.
Ze hebben de radio de hele dag aan.



























