Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to branch out
[phrase form: branch]
01
diversifiëren, zijn horizon verbreden
to expand by exploring new areas, options, or opportunities
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
out
basiswerkwoord
branch
tegenwoordige tijd
branch out
3e persoon enkelvoud
branches out
onvoltooid deelwoord
branching out
onvoltooid verleden tijd
branched out
voltooid deelwoord
branched out
Voorbeelden
The artist is considering branching out beyond traditional mediums.
De kunstenaar overweegt om zich uit te breiden buiten traditionele media.
02
vertakken, nieuwe takken vormen
(of a plant or tree) to grow new parts
Intransitive
Voorbeelden
Over time, the rosebush will naturally branch out, producing more flowers.
Na verloop van tijd zal de rozenstruik van nature vertakken, waardoor er meer bloemen ontstaan.



























