Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to box in
[phrase form: box]
01
insluiten, omringen
to physically confine or surround a person or thing so closely that they cannot move away or escape
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
in
basiswerkwoord
box
tegenwoordige tijd
box in
3e persoon enkelvoud
boxes in
onvoltooid deelwoord
boxing in
onvoltooid verleden tijd
boxed in
voltooid deelwoord
boxed in
Voorbeelden
She sensed being boxed in by the crowded room.
Ze voelde zich ingesloten door de volle kamer.
02
beperken, inperken
to limit someone's choices, making it difficult for them to take the actions they intended
Voorbeelden
The political leader found himself boxed in by conflicting priorities.
De politieke leider vond zichzelf ingesloten door tegenstrijdige prioriteiten.



























