Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to walk into
01
verzeilen in, zich bevinden in
to become involved in something unpleasant because of carelessness or ignorance
Transitive: to walk into an undesirable situation
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
into
basiswerkwoord
walk
tegenwoordige tijd
walk into
3e persoon enkelvoud
walks into
onvoltooid deelwoord
walking into
onvoltooid verleden tijd
walked into
voltooid deelwoord
walked into
Voorbeelden
She walked into a heated argument without knowing what it was about.
Ze liep een verhitte discussie in zonder te weten waar het over ging.
02
tegenaan lopen, botsen tegen
to accidentally crash into an object
Transitive: to walk into sb/sth
Voorbeelden
The child walked into the chair and started crying.
Het kind liep tegen de stoel aan en begon te huilen.
03
makkelijk verkrijgen, onverdiend binnenhalen
to easily get a job or position, particularly undeservedly
Transitive: to walk into a position
Voorbeelden
She walked into the opportunity without demonstrating her competence.
Ze liep zomaar de kans binnen zonder haar competentie te tonen.



























