Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to zoom in
[phrase form: zoom]
01
inzoomen, vergroten
to adjust the lens of a camera in a way that makes the person or thing being filmed or photographed appear closer or larger
Intransitive: to zoom in | to zoom in on sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
in
basiswerkwoord
zoom
tegenwoordige tijd
zoom in
3e persoon enkelvoud
zooms in
onvoltooid deelwoord
zooming in
onvoltooid verleden tijd
zoomed in
voltooid deelwoord
zoomed in
Voorbeelden
The photographer zoomed in to capture the intricate details of the butterfly's wings.
De fotograaf zoomde in om de ingewikkelde details van de vlindervleugels vast te leggen.
02
inzoomen, vergroten
to take a closer look at something by paying attention to it, often by making it bigger or clearer
Intransitive: to zoom in on sth
Voorbeelden
The art historian used a magnifying glass to zoom in on the brushstrokes of the masterpiece.
De kunsthistoricus gebruikte een vergrootglas om in te zoomen op de penseelstreken van het meesterwerk.



























