Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to worry
01
zorgen maken, piekeren
to feel upset and nervous because we think about bad things that might happen to us or our problems
Intransitive: to worry | to worry about sth
Voorbeelden
He could n't help but worry about the uncertain future.
Hij kon niet anders dan zich zorgen maken over de onzekere toekomst.
02
lastigvallen, irriteren
to bother or irritate someone repeatedly
Transitive: to worry sb
Voorbeelden
The persistent knocking at the door worried everyone inside.
Het aanhoudende kloppen op de deur maakte iedereen binnen zorgen.
03
knagen, kauwen
to chew, pull, or shake something with the teeth, often aggressively or persistently
Transitive: to worry sth
Voorbeelden
The stray dog worried the bone, dragging it across the yard.
De zwerfhond knaagde aan het bot, slepend over het erf.
04
friemelen, zenuwachtig bewegen
to handle or move something over and over, often in a way that shows anxiety or distraction
Transitive: to worry sth
Voorbeelden
The child worried the toy, twisting it back and forth.
Het kind plaagde het speelgoed, draaide het heen en weer.
05
zorgen, verontrusten
to cause someone to feel nervous, uneasy, or troubled in their mind
Transitive: to worry sb
Voorbeelden
The news of the accident worried her, making it hard to concentrate.
Het nieuws over het ongeluk maakte haar bezorgd, wat het moeilijk maakte om zich te concentreren.
Voorbeelden
The storm caused a lot of worry among the townspeople.
De storm veroorzaakte veel zorgen onder de stadsbewoners.
02
zorg, bezorgdheid
something that causes concern, fear, or nervousness
Voorbeelden
The recent storms added a new worry for local farmers.
De recente stormen hebben een nieuwe zorg toegevoegd voor lokale boeren.
Lexicale Boom
worried
worrier
worriment
worry



























