Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to trounce
01
vernietigend verslaan, met grote overmacht verslaan
to decisively defeat the opposition by a significant margin in a competition, race, or conflict
Transitive: to trounce an opponent
Voorbeelden
The experienced team managed to trounce their competitors in the basketball tournament.
Het ervaren team wist hun tegenstanders in het basketbaltoernooi vernietigend te verslaan.
02
vernietigen, berispen
to criticize or punish someone harshly
Transitive: to trounce sb
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
trounce
3e persoon enkelvoud
trounces
onvoltooid deelwoord
trouncing
onvoltooid verleden tijd
trounced
voltooid deelwoord
trounced
Voorbeelden
The coach trounced the team for their lack of discipline during practice.
De coach hekelde het team streng voor hun gebrek aan discipline tijdens de training.
03
verslaan, slaan
to beat or strike someone or something severely
Transitive: to trounce sb/sth
Voorbeelden
He trounced the punching bag with all his strength during his workout.
Hij sloeg de bokszak met al zijn kracht tijdens zijn training.
Lexicale Boom
trouncing
trounce



























