Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to swim
01
zwemmen, aan zwemmen doen
to move through water by moving parts of the body, typically arms and legs
Intransitive
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
bewegingswerkwoord
onregelmatig
tegenwoordige tijd
swim
3e persoon enkelvoud
swims
onvoltooid deelwoord
swimming
onvoltooid verleden tijd
swam
voltooid deelwoord
swum
Voorbeelden
My sister swims every morning before breakfast.
Mijn zus zwemt elke ochtend voor het ontbijt.
02
zwemmen, drijven
to float or move in a liquid substance, typically water
Intransitive
Voorbeelden
The rubber duckies swam in the bathtub.
De rubbereendjes zwommen in het bad.
03
zwemmen, onderdompelen
to be submerged or covered by a liquid
Intransitive: to swim in sth
Voorbeelden
The ice cream sundae arrived at the table with a mountain of whipped cream swimming in chocolate syrup.
Het ijs-sundae arriveerde op tafel met een berg slagroom die in chocoladesiroop dreef.
04
het hoofd voelen draaien, duizelig worden
to feel lightheaded, dizzy, or disoriented
Intransitive
Voorbeelden
After standing up too quickly, she felt her head swim for a moment.
Nadat ze te snel was opgestaan, voelde ze haar hoofd even draaien.
05
zwemmen
to engage in or participate in swimming as a sport or leisure activity
Transitive: to swim a race or stroke
Voorbeelden
Every morning, she swims laps in the pool as part of her fitness routine.
Elke ochtend zwemt ze baantjes in het zwembad als onderdeel van haar fitnessroutine.
01
zwemmen, zwempartij
a period or act of moving our body through water with the use of our arms and legs
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
swims
Voorbeelden
She enjoyed a refreshing swim in the lake on a hot summer day.
Ze genoot van een verfrissende zwempartij in het meer op een warme zomerdag.
Lexicale Boom
swimmer
swimming
swimming
swim



























