Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
supple
01
soepel, buigzaam
slender and flexible, able to bend or move smoothly and with elegance
Voorbeelden
The gymnast 's supple body arched effortlessly in mid‑air.
Het soepele lichaam van de turnster boog zich moeiteloos in de lucht.
02
soepel, buigzaam
physically capable of bending, stretching, or moving freely without stiffness
Voorbeelden
His supple joints made climbing easy.
Zijn soepele gewrichten maakten het klimmen gemakkelijk.
03
soepel, aanpasbaar
easily adaptable in attitude, approach, or thinking
Voorbeelden
The diplomat 's supple manner eased tense negotiations.
De soepele houding van de diplomaat verlichtte de gespannen onderhandelingen.
to supple
01
soepel maken, zacht maken
to make something soft, pliable, and able to bend or move easily without breaking
Transitive: to supple sth
Voorbeelden
Warm‑up stretches help supple the muscles before exercise.
Opwarmrekken helpen de spieren soepel te maken voor de training.
Lexicale Boom
suppleness
supple



























