Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to besmirch
01
belasteren, bezoedelen
to talk badly of someone in order to ruin people's impression of them
Transitive: to besmirch someone's reputation
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
besmirch
3e persoon enkelvoud
besmirches
onvoltooid deelwoord
besmirching
onvoltooid verleden tijd
besmirched
voltooid deelwoord
besmirched
Voorbeelden
False rumors were spread to besmirch the actress's image.
Valse geruchten werden verspreid om het imago van de actrice te bezoedelen.
02
bezoedelen, besmeuren
to smear or soil something so that it looks unclean
Transitive: to besmirch sth
Voorbeelden
The tablecloth was besmirched with wine stains.
Het tafelkleed was bevlekt met wijnvlekken.



























