Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to stagger
01
wankelen, strompelen
to move unsteadily or with difficulty
Intransitive
Voorbeelden
The injured athlete, with a twisted ankle, had to stagger off the field, wincing with each unsteady step.
De geblesseerde atleet, met een verstuikte enkel, moest wankelend het veld verlaten, grimassend bij elke onvaste stap.
02
spreiden, verspreiden
to organize or set objects or events in a way that avoids overlapping
Transitive: to stagger activities or events
Voorbeelden
The traffic lights were programmed to stagger the intervals between red and green phases.
De verkeerslichten waren geprogrammeerd om de intervallen tussen de rode en groene fasen te spreiden.
03
verbijsteren, schokken
to cause someone to be surprised, overwhelmed, or deeply affected
Transitive: to stagger sb
Voorbeelden
The sudden and tragic event staggered the entire community, leaving them mourning and in shock.
Het plotselinge en tragische evenement schokte de hele gemeenschap, waardoor ze rouwden en in shock waren.
Stagger
01
wankele gang, onvaste stap
an unsteady uneven gait
Lexicale Boom
staggering
staggering
stagger



























