Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
Spirit
01
geest, spook
an immaterial supernatural being that can appear or be perceived by humans
Voorbeelden
Legends describe a spirit haunting the old mansion.
Legenden beschrijven een geest die het oude landhuis achtervolgt.
02
sterke drank, spiritus
a strong alcoholic beverage made by distilling grains, fruits, or vegetables
Voorbeelden
Whiskey is a spirit distilled from grains.
Whisky is een sterke drank gedistilleerd uit granen.
03
geest, ziel
the essential life force or energy that animates a living being
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
enkelvoudig
ontelbaar
Voorbeelden
Life and spirit are closely intertwined.
Leven en geest zijn nauw met elkaar verweven.
04
sfeer, atmosfeer
the prevailing mood, atmosphere, or emotional tone of a place or situation
Voorbeelden
The festival had a joyful spirit.
Het festival had een vrolijke sfeer.
05
geest, ziel
a core emotional or motivating force that shapes a person's character
Voorbeelden
Courage is a spirit that defines great leaders.
Moed is een geest die grote leiders definieert.
06
stemming, gemoedstoestand
a person's emotional state, especially relating to pleasure, morale, or dejection
Voorbeelden
His spirits were high after the good news.
Zijn humeur was hoog na het goede nieuws.
07
vuur, levendigheid
animation, liveliness, or energy in action, behavior, or expression
Voorbeelden
The children played with spirit and enthusiasm.
De kinderen speelden met levendigheid en enthousiasme.
08
geest, essentie
the intended meaning, essence, or purpose of a communication or text
Voorbeelden
The lawyer explained the spirit of the law.
De advocaat legde de geest van de wet uit.
09
geest, mentaliteit
a tendency or mindset of a particular type
Voorbeelden
He worked in the spirit of generosity.
Hij werkte in de geest van vrijgevigheid.
10
moed, strijdlust
courage, energy, and determination to continue or succeed
Voorbeelden
She showed great spirit during the race.
Ze toonde grote moed tijdens de race.
to spirit
01
bezielen, aanmoedigen
to infuse with energy, courage, or vitality
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
afgeleid
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
spirit
3e persoon enkelvoud
spirits
onvoltooid deelwoord
spiriting
onvoltooid verleden tijd
spirited
voltooid deelwoord
spirited
Voorbeelden
The coach spirited the team before the match.
De coach bezielde het team voor de wedstrijd.
Lexicale Boom
spiritism
spiritize
spiritless
spirit



























