to speak
speak
spi:k
spik
sneakspecksteak

Definitie en betekenis van "speak"in het Engels

to speak
01

spreken, uitdrukken

to use one's voice to express a particular feeling or thought 
Intransitive
to speak definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
speak
3e persoon enkelvoud
speaks
onvoltooid deelwoord
speaking
onvoltooid verleden tijd
spoke
voltooid deelwoord
spoken
Voorbeelden
He spoke about his experiences during the meeting. 

Hij sprak over zijn ervaringen tijdens de vergadering.

1.1

spreken, bespreken

to talk to someone about something 
Transitive: to speak to sb
to speak definition and meaning
Voorbeelden
Can I speak to you about the upcoming event? 

Kan ik met je praten over de aankomende gebeurtenis?

1.2

spreken

to use or be capable of using a certain language 
Transitive: to speak a language
Voorbeelden
He speaks Spanish fluently. 

Hij spreekt vloeiend Spaans.

1.3

spreken, een toespraak houden

to deliver a speech to a group of people 
Intransitive
to speak definition and meaning
Voorbeelden
He will speak at the conference tomorrow. 

Hij zal morgen op de conferentie spreken.

1.4

spreken, uitdrukken

to state or say a particular thing 
Transitive: to speak sth
Voorbeelden
He spoke his mind during the meeting. 

Hij sprak zijn gedachten uit tijdens de vergadering.

02

getuigen, aanduiden

(of behavior, expressions, objects, etc.) to be the proof of a particular thing 
Transitive: to speak sth | to speak of sth
Voorbeelden
The broken window speaks accident. 

Het gebroken raam spreekt van een ongeluk.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store