Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to sow
01
zaaien, zaden strooien
to plant seeds by scattering them on the ground
Transitive: to sow seeds
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
sow
3e persoon enkelvoud
sows
onvoltooid deelwoord
sowing
onvoltooid verleden tijd
sowed
voltooid deelwoord
sown
Voorbeelden
She sows tomato seeds in the garden every spring for a fresh harvest.
Ze zaait elke lente tomatenzaden in de tuin voor een verse oogst.
02
zaaien, verspreiden
to spread or introduce something, such as an idea or feeling, usually resulting in its widespread impact or development
Transitive: to sow an idea or attitude
Voorbeelden
Activists sow awareness by organizing campaigns and events.
Activisten zaaien bewustzijn door campagnes en evenementen te organiseren.
03
zaaien, inzaaien
to plant seeds in the ground
Transitive: to sow a piece of land with a crop
Voorbeelden
In the spring, farmers sow their fields with wheat.
In het voorjaar zaaien boeren hun velden met tarwe.
01
zeug, varkensmoeder
an adult female pig, especially one that has given birth to piglets
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
dier
morfologische samenstelling
enkelvoudig
telbaar
meervoudsvorm
sows
02
zeug, vieze vrouw
a woman regarded as dirty or repulsive
informeel
beledigend
vulgair
Voorbeelden
That sow left food scraps all over the floor.
Die zeug heeft overal op de vloer etensresten achtergelaten.
Lexicale Boom
sower
sown
sow



























