Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to beep
01
toeteren, piepen
(particularly of a horn or electronic device) to make a short, often high-pitched sound as a signal or alert
Intransitive
Voorbeelden
The alarm clock beeped loudly, waking me up from a deep sleep.
De wekker piepte luid, waardoor ik wakker werd uit een diepe slaap.
02
oproepen met een pieper, alarmen met een pieptoon
to call or alert someone using a beeper
Dialect
American
Transitive: to beep sb
Voorbeelden
Whenever there was a problem, the manager would beep me to come to her office.
Wanneer er een probleem was, piepte de manager me om naar haar kantoor te komen.
01
piep, korte toon
a short high tone produced as a signal or warning
Lexicale Boom
beeper
beep



























