Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to shoot down
01
neerschieten, afschieten
to fire upon an aircraft or another object with the intent of bringing it to the ground
Transitive: to shoot down an aircraft or flying object
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
down
basiswerkwoord
shoot
tegenwoordige tijd
shoot down
3e persoon enkelvoud
shoots down
onvoltooid deelwoord
shooting down
onvoltooid verleden tijd
shot down
voltooid deelwoord
shot down
Voorbeelden
The military had to shoot the enemy aircraft down to protect the airspace.
Het leger moest het vijandelijke vliegtuig neerschieten om het luchtruim te beschermen.
02
afwijzen, torpederen
to prevent the progress of something
Transitive: to shoot down a plan or process
Voorbeelden
The committee's decision to shoot down the project disappointed many stakeholders.
Het besluit van de commissie om het project af te wijzen stelde veel belanghebbenden teleur.
03
afbranden, hard bekritiseren
to be too harsh on someone just to prove that their ideas are wrong or stupid
Transitive: to shoot down someone's ideas or reputation
Voorbeelden
The opposition tried to shoot down the candidate's reputation with negative campaigning.
De oppositie probeerde de reputatie van de kandidaat met negatieve campagnes neer te schieten.
04
naar beneden schieten, razendsnel afdalen
to swiftly and forcefully travel in a particular direction
Transitive: to shoot down a path or place
Voorbeelden
She shot the hill down, racing with exhilarating speed.
Ze schoot de heuvel af, racend met een opwindende snelheid.



























