Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to assemble
01
assembleren, monteren
to make something by putting separate parts of something together
Transitive: to assemble sth
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
regelmatig
tegenwoordige tijd
assemble
3e persoon enkelvoud
assembles
onvoltooid deelwoord
assembling
onvoltooid verleden tijd
assembled
voltooid deelwoord
assembled
Voorbeelden
Workers in the factory assemble electronic devices using automated production lines.
Werkers in de fabriek assembleren elektronische apparaten met behulp van geautomatiseerde productielijnen.
02
verzamelen, bijeenkomen
(of people) to gather in a place for a particular purpose
Intransitive: to assemble somewhere
Voorbeelden
Protesters plan to assemble at the city square to raise awareness about social issues.
Demonstranten zijn van plan zich te verzamelen op het stadsplein om bewustzijn te creëren over sociale kwesties.
Voorbeelden
The event planner assembled a team of volunteers to organize the charity fundraiser.
De evenementenplanner bracht een team van vrijwilligers bijeen om de benefietactie te organiseren.
Assemble
01
assemblé, assemblé-sprong
a jump in which one foot leaves the ground and the other meets it in the air, used for fluid transitions and dynamic movement in ballet
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
telbaar
meervoudsvorm
assemblés
Voorbeelden
The choreographer included an assemblé in the grand allegro section.
De choreograaf nam een assemblé op in het grand allegro-gedeelte.
Lexicale Boom
assembler
assembling
disassemble
assemble



























