Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
to live together
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
together
basiswerkwoord
live
tegenwoordige tijd
live together
3e persoon enkelvoud
lives together
onvoltooid deelwoord
living together
onvoltooid verleden tijd
lived together
voltooid deelwoord
lived together
Voorbeelden
They were nervous about their parents ' reactions when they announced they were going to live together.
Ze waren nerveus over de reactie van hun ouders toen ze aankondigden dat ze samen zouden gaan wonen.



























