Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
abwärtsgehen
01
verslechteren, achteruitgaan
Eine negative Entwicklung nehmen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
onregelmatig
scheidbaar
partikel
abwärts
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe abwärts
3e persoon enkelvoud
geht abwärts
onvoltooid deelwoord
abwärtsgehend
onvoltooid verleden tijd
ging abwärts
voltooid deelwoord
abwärtsgegangen
Voorbeelden
Nach der Krise ging die Wirtschaft rapide abwärts.
Na de crisis ging de economie snel achteruit.



























