Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
überschreiten
01
overschrijden, overtreffen
Eine Grenze, einen Wert oder eine Marke passieren oder höher sein als erlaubt oder erwartet
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
schreiten
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
überschreite
3e persoon enkelvoud
überschreitet
onvoltooid deelwoord
überschreitend
onvoltooid verleden tijd
überschritt
voltooid deelwoord
überschritten
Voorbeelden
Die Kosten überschreiten unser Budget.
De kosten overschrijden ons budget.



























