Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
übernachten
01
overnachten, de nacht doorbrengen
Für eine Nacht an einem Ort bleiben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
nachten
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
übernachte
3e persoon enkelvoud
übernachtet
onvoltooid deelwoord
übernachtend
onvoltooid verleden tijd
übernachtete
voltooid deelwoord
übernachtet
Voorbeelden
Ich möchte heute bei dir übernachten.
Ik wil vandaag bij jou overnachten.



























