Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
überlegen
01
nadenken, overwegen
Nachdenken, um eine Entscheidung zu treffen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
legen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
überlege
3e persoon enkelvoud
überlegt
onvoltooid deelwoord
überlegend
onvoltooid verleden tijd
überlegte
voltooid deelwoord
überlegt
Voorbeelden
Ich überlege mir, was ich heute anziehen soll.
Ik ben aan het overwegen wat ik vandaag zal aantrekken.
überlegen
01
superieur, beter
Besser oder stärker als jemand anderes
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
kwalitatief
overtreffende trap
am überlegensten
vergrotende trap
überlegener
gradueerbaar
verbuigbaar
Voorbeelden
Unsere Mannschaft war dem Gegner überlegen.
Ons team was superieur aan de tegenstander.
02
superieur, beter
In einer bestimmten Eigenschaft besser als andere
Voorbeelden
Der erfahrene Kollege ist ihm fachlich überlegen.
De ervaren collega is professioneel beter dan hij.
Lexicale Boom
überlegen
über
legen



























