Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
übergehen
[past form: ging über]
01
overgaan in, overgaan naar
Sich allmählich in etwas anderes verwandeln oder weiterentwickeln
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
über
basiswerkwoord
gehen
hulpwerkwoord
sein
1e persoon enkelvoud
gehe über
3e persoon enkelvoud
geht über
onvoltooid deelwoord
übergehend
onvoltooid verleden tijd
ging über
voltooid deelwoord
übergegangen
Voorbeelden
Die Stille ging plötzlich in lautes Gelächter über.
De stilte veranderde plotseling in luid gelach.
02
negeren, over het hoofd zien
Jemanden oder etwas absichtlich nicht beachten, ignorieren oder ausschließen
Voorbeelden
In der Diskussion wurden wichtige Argumente übergangen.
Over het hoofd zien belangrijke argumenten gebeurde in de discussie.
Lexicale Boom
übergehen
über
gehen



























