zusammenleben
zusammenleben
t͡suzamənle:bən
tsoozamēnlebēn
zusammenlegen

Definitie en betekenis van "zusammenleben"in het Duits

zusammenleben
01

samenwonen, samenleven

Mit einer anderen Person im selben Haushalt wohnen 
zusammenleben definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
toestandswerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
zusammen
basiswerkwoord
leben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
lebe zusammen
3e persoon enkelvoud
lebt zusammen
onvoltooid deelwoord
zusammenlebend
onvoltooid verleden tijd
lebte zusammen
voltooid deelwoord
zusammengelebt
Voorbeelden
Sie leben seit drei Jahren zusammen. 

Samenwonen betekent met een andere persoon in hetzelfde huishouden wonen.

Das Zusammenleben
01

samenwonen, samenleven

Mit jemandem in einem Haushalt wohnen 
das Zusammenleben definition and meaning
grammaticale informatie
bezieldheidsstatus
abstract
morfologische samenstelling
samenstelling
ontelbaar
geslacht
onzijdig
genitiefvorm
Zusammenlebens
Voorbeelden
Ihr Zusammenleben war harmonisch. 

Hun samenwonen was harmonieus.

LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store