Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
wiedergeben
01
teruggeven, restitueren
Etwas, das man ausgeliehen oder bekommen hat, an die ursprüngliche Person zurückgeben
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
wieder
basiswerkwoord
geben
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
gebe wieder
3e persoon enkelvoud
gibt wieder
onvoltooid deelwoord
wiedergebbend
onvoltooid verleden tijd
gab wieder
voltooid deelwoord
wiedergegeben
Voorbeelden
Du musst die Bücher bis nächsten Montag wiedergeben.
Je moet de boeken terugbrengen voor volgende maandag.
02
presenteren, weergeven
Etwas in eigenen Worten oder sinngemäß sagen oder darstellen
Voorbeelden
Der Zeuge konnte den Unfallhergang genau wiedergeben.
De getuige kon het verloop van het ongeluk precies weergeven.
03
reproduceren, weergeven
Etwas, das man gehört, gesehen oder gelernt hat, erneut erzeugen oder darstellen
Voorbeelden
Die KI gibt menschliche Stimmen täuschend echt wieder.
De AI reproduceert menselijke stemmen bedrieglijk realistisch.



























