waschen
Pronunciation
/ˈvaʃən/

Definitie en betekenis van "waschen"in het Duits

waschen
01

wassen, schoonmaken

Mit Wasser und Seife reinigen
waschen definition and meaning
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
enkelvoudig
actiewerkwoord
sterk
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
wasche
3e persoon enkelvoud
wäscht
onvoltooid deelwoord
waschend
onvoltooid verleden tijd
wusch
voltooid deelwoord
gewaschen
Voorbeelden
Wir waschen Obst vor dem Essen.
Wij wassen fruit voor het eten.
02

zich wassen, zich reinigen

Sich selbst mit Wasser und Seife reinigen
sich waschen definition and meaning
Voorbeelden
Wir waschen uns vor dem Essen.
We wassen ons voor het eten.
LanGeek
Download de App
langeek application

Download Mobile App

App Store