Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vortragen
01
presenteren, voordragen
Etwas mündlich vor Publikum präsentieren
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
sterk
scheidbaar
partikel
vor
basiswerkwoord
tragen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
trage vor
3e persoon enkelvoud
trägt vor
onvoltooid deelwoord
vortragend
onvoltooid verleden tijd
trug vor
voltooid deelwoord
vorgetragen
Voorbeelden
Sie trug das Gedicht mit Gefühl vor.
Ze droeg het gedicht met gevoel voor.
02
uitvoeren, presenteren
Musik oder Theaterstück öffentlich aufführen
Voorbeelden
Das Orchester trug Beethovens 5. Sinfonie vor.
Het orkest voerde Beethovens 5e symfonie uit.



























