Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vorstellen
01
voorstellen
Jemanden oder etwas bekannt machen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
vor
basiswerkwoord
stellen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
stelle vor
3e persoon enkelvoud
stellt vor
onvoltooid deelwoord
vorstellend
onvoltooid verleden tijd
stellte vor
voltooid deelwoord
vorgestellt
Voorbeelden
Kannst du mir deinen Kollegen vorstellen?
Kun je me voorstellen aan je collega ?
02
zich voorstellen, zich inbeelden
Sich etwas in Gedanken ausmalen oder gedanklich erschaffen
Voorbeelden
Er stellt sich vor, reich zu sein.
Hij stelt zich voor rijk te zijn.
03
voorstellen, presenteren
Etwas vorführen oder jemandem etwas zur Kenntnis bringen
Voorbeelden
Sie stellt ihre Ideen vor der Klasse vor.
Ze stelt haar ideeën voor aan de klas.
04
naar voren schuiven, vooruit bewegen
Etwas nach vorne bringen oder an eine vordere Position bewegen
Voorbeelden
Ich habe meine Uhr um eine Stunde vorgestellt.
Ik heb mijn klok een uur vooruit gezet.
Lexicale Boom
vorstellen
vor
stellen



























