Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vorführen
01
presenteren, demonstreren
Etwas öffentlich zeigen oder präsentieren, z. B. Kleidung, Fähigkeiten, ein Gerät oder eine Idee
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
scheidbaar
partikel
vor
basiswerkwoord
führen
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
führe vor
3e persoon enkelvoud
führt vor
onvoltooid deelwoord
vorführend
onvoltooid verleden tijd
führte vor
voltooid deelwoord
vorgeführt
Voorbeelden
Er hat den Gästen das neue Smartphone vorgeführt.
Hij demonstreerde de nieuwe smartphone aan de gasten.



























