Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
vorbei
01
voorbij, afgelopen
Nicht mehr da oder zu Ende
grammaticale informatie
niet vergelijkbaar
Voorbeelden
Die Ferien sind vorbei.
De vakantie is voorbij.
02
voorbij, verleden
An etwas entlang oder daran vorbei bewegen
Voorbeelden
Er ist an mir vorbeigegangen.
Hij liep langs mij.
Lexicale Boom
vorbei
vor
bei



























