Zoeken
Selecteer de woordenboektaal
verabschieden
01
afscheid nemen, tot ziens zeggen
Auf Wiedersehen sagen
grammaticale informatie
morfologische samenstelling
frasal
actiewerkwoord
regelmatig
onscheidbaar
partikel
ver
basiswerkwoord
abschieden
hulpwerkwoord
haben
1e persoon enkelvoud
verabschiede
3e persoon enkelvoud
verabschiedet
onvoltooid deelwoord
verabschiedend
onvoltooid verleden tijd
verabschiedete
voltooid deelwoord
verabschiedet
Voorbeelden
Er verabschiedete sich schnell vom Büro.
Hij nam snel afscheid van het kantoor.
02
uitzwaaien, begeleiden bij het vertrek
Jemanden zum Abschied begleiten
Voorbeelden
Sie verabschiedeten die Besucher freundlich.
Zij namen afscheid van de bezoekers vriendelijk.
03
goedkeuren, aannemen
Ein Gesetz oder einen Plan offiziell annehmen oder zustimmen
Voorbeelden
Die Mitglieder verabschieden die Regeln für das Treffen.
De leden keuren de regels voor de vergadering goed.



























