Zoeken
tun
[past form: tat]
01
doen, uitvoeren
Etwas machen oder ausführen
Voorbeelden
Sie tut jeden Tag Sport.
Ze sport elke dag.
02
doen alsof, voorwenden
So handeln, als ob etwas wahr wäre
Voorbeelden
Ich tue, als ob alles okay ist.
Ik doe alsof alles in orde is.
03
gebeuren, plaatsvinden
Sich etwas ereignen oder geschehen
Voorbeelden
In der Stadt tut sich viel.
Er gebeurt veel in de stad.
Das Tun
[gender: neuter]
01
daad, handeling
Eine Handlung oder Tätigkeit
Voorbeelden
Sein Tun gefällt mir nicht.
Zijn handelen bevalt me niet.


























